Integritetsskyddsmyndigheten tegen AB Storstockholms Lokaltrafik

Instantie:
Hof van Justitie
Datum:
18 december 2025
Zaak-nummer:
C-422/24
Celex-nummer:
62024CJ0422
ECLI-nummer:
ECLI:EU:C:2025:980
Procedure:
Arrest op Verzoek om prejudiciële beslissing
Rapporteur:
von Danwitz
A-G:

Prejudiciële verwijzing – Bescherming van persoonsgegevens – Verordening (EU) 2016/679 – Artikelen 13 en 14 – Werkingssfeer – Persoonsgegevens die worden verkregen door middel van een bodycam die wordt gedragen door controleurs in het openbaar vervoer – Rechtsgrondslag van de verplichting van de verwerkingsverantwoordelijke om de betrokkene te informeren

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

18 december 2025 (*)

„ Prejudiciële verwijzing – Bescherming van persoonsgegevens – Verordening (EU) 2016/679 – Artikelen 13 en 14 – Werkingssfeer – Persoonsgegevens die worden verkregen door middel van een bodycam die wordt gedragen door controleurs in het openbaar vervoer – Rechtsgrondslag van de verplichting van de verwerkingsverantwoordelijke om de betrokkene te informeren ”

In zaak C‑422/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Högsta förvaltningsdomstol (hoogste bestuursrechter, Zweden) bij beslissing van 13 juni 2024, ingekomen bij het Hof op 17 juni 2024, in de procedure

Integritetsskyddsmyndigheten

tegen

AB Storstockholms Lokaltrafik,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, T. von Danwitz (rapporteur), vicepresident van het Hof, I. Ziemele, A. Kumin en S. Gervasoni, rechters,

advocaat-generaal: L. Medina,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Integritetsskyddsmyndigheten, vertegenwoordigd door C. Agnehall, A. Persson en D. Törngren als gemachtigden,

–        AB Storstockholms Lokaltrafik, vertegenwoordigd door J. Forzelius, advokat en G. Tranvik, biträdande jurist,

–        de Deense regering, vertegenwoordigd door D. Elkan, C. A.‑S. Maertens, J. Sandvik Loft en M. Jespersen als gemachtigden,

–        de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch, J. Schmoll en C. Gabauer als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Bouchagiar, C. Faroghi en H. Kranenborg als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 1 augustus 2025,

het navolgende

ARREST

  • 1.

    Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 13 en 14 van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1, met rectificaties in PB 2018, L 127, blz. 2, en PB 2021, L 74, blz. 35; hierna: „AVG”).

  • 2.

    Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Integritetsskyddsmyndigheten (autoriteit voor privacybescherming, Zweden) (hierna: „Autoriteit”) en AB Storstockholms Lokaltrafik (hierna: „SL”), een Zweedse naamloze vennootschap voor openbaar vervoer, over een administratieve geldboete die aan SL was opgelegd wegens schending van artikel 13 AVG in verband met het verzamelen van persoonsgegevens via bodycams die werden gedragen door controleurs van vervoersbewijzen in dienst van SL.

 Toepasselijke bepalingen

  • 3.

    In de overwegingen 60 en 61 AVG staat te lezen:

    „(60)      Overeenkomstig de beginselen van behoorlijke en transparante verwerking moet de betrokkene op de hoogte worden gesteld van het feit dat er verwerking plaatsvindt en van de doeleinden daarvan. De verwerkingsverantwoordelijke dient de betrokkene de nadere informatie te verstrekken die noodzakelijk is om tegenover de betrokkene een behoorlijke en transparante verwerking te waarborgen, met inachtneming van de specifieke omstandigheden en de context waarin de persoonsgegevens worden verwerkt. Voorts moet de betrokkene worden geïnformeerd over het bestaan van profilering en de gevolgen daarvan. Indien de persoonsgegevens van de betrokkene moeten worden verkregen, moet hem worden meegedeeld of hij verplicht is de persoonsgegevens te verstrekken en wat de gevolgen zijn van niet-verstrekking van de gegevens. Die informatie kan met behulp van gestandaardiseerde icoontjes worden verstrekt, teneinde op goed zichtbare, begrijpelijke en duidelijk leesbare wijze de zin van de voorgenomen verwerking weer te geven. Elektronisch weergegeven icoontjes moeten machineleesbaar zijn.

    (61)      De informatie over de verwerking van persoonsgegevens betreffende de betrokkene dient hem te worden meegedeeld bij het verzamelen bij de betrokkene van de gegevens of, indien de gegevens uit een andere bron zijn verkregen, binnen een redelijke termijn, die afhangt van de omstandigheden van het geval. Wanneer de persoonsgegevens rechtmatig aan een andere ontvanger kunnen worden verstrekt, dient de betrokkene te worden meegedeeld wanneer de persoonsgegevens voor het eerst aan de ontvanger worden verstrekt. Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke voornemens is de persoonsgegevens te verwerken met een ander doel dan dat waarvoor zij zijn verzameld, moet de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene vóór die verdere verwerking informatie over dat andere doel en andere noodzakelijke informatie verstrekken. Wanneer de oorsprong van de persoonsgegevens niet aan de betrokkene kan worden meegedeeld omdat verschillende bronnen zijn gebruikt, moet algemene informatie worden verstrekt.”

  • 4.

    Artikel 5 AVG („Beginselen inzake verwerking van persoonsgegevens”) bepaalt:

    „1.      Persoonsgegevens moeten:

    a)      worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is (‚rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie’);

    [...]

    c)      toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt (‚minimale gegevensverwerking’);

    [...]”

  • 5.

    Artikel 12 AVG („Transparante informatie, communicatie en nadere regels voor de uitoefening van de rechten van de betrokkene”) luidt:

    „1.      De verwerkingsverantwoordelijke neemt passende maatregelen opdat de betrokkene de in de artikelen 13 en 14 bedoelde informatie en de in de artikelen 15 tot en met 22 en artikel 34 bedoelde communicatie in verband met de verwerking in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal ontvangt [...]. De informatie wordt schriftelijk of met andere middelen, met inbegrip van, indien dit passend is, elektronische middelen, verstrekt. [...]

    [...]

    5.      [...] Wanneer verzoeken van een betrokkene kennelijk ongegrond of buitensporig zijn, met name vanwege hun repetitieve karakter, mag de verwerkingsverantwoordelijke ofwel:

    [...]

    b)      weigeren gevolg te geven aan het verzoek.

    Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om de kennelijk ongegronde of buitensporige aard van het verzoek aan te tonen.

    [...]”

  • 6.

    Artikel 13 AVG („Te verstrekken informatie wanneer persoonsgegevens bij de betrokkene worden verzameld”) bepaalt:

    „1.      Wanneer persoonsgegevens betreffende een betrokkene bij die persoon worden verzameld, verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene al bij de verkrijging van de persoonsgegevens de volgende informatie:

    a)      de identiteit en de contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke en, in voorkomend geval, van de vertegenwoordiger van de verwerkingsverantwoordelijke;

    b)      in voorkomend geval, de contactgegevens van de functionaris voor gegevensbescherming;

    c)      de verwerkingsdoeleinden waarvoor de persoonsgegevens zijn bestemd, alsook de rechtsgrond voor de verwerking;

    d)      de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, indien de verwerking op artikel 6, lid 1, punt f), is gebaseerd;

    e)      in voorkomend geval, de ontvangers of categorieën van ontvangers van de persoonsgegevens;

    f)      in voorkomend geval, dat de verwerkingsverantwoordelijke het voornemen heeft de persoonsgegevens door te geven aan een derde land of een internationale organisatie; of er al dan niet een adequaatheidsbesluit van de [Europese] Commissie bestaat; of, in het geval van in artikel 46, artikel 47 of artikel 49, lid 1, tweede alinea, bedoelde doorgiften, welke de passende of geschikte waarborgen zijn, hoe er een kopie van kan worden verkregen of waar ze kunnen worden geraadpleegd.

    2.      Naast de in lid 1 bedoelde informatie verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene bij de verkrijging van de persoonsgegevens de volgende aanvullende informatie om een behoorlijke en transparante verwerking te waarborgen:

    a)      de periode gedurende welke de persoonsgegevens zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria ter bepaling van die termijn;

    b)      dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken om inzage van en rectificatie of wissing van de persoonsgegevens of beperking van de hem betreffende verwerking, alsmede het recht tegen de verwerking bezwaar te maken en het recht op gegevensoverdraagbaarheid;

    c)      wanneer de verwerking op artikel 6, lid 1, punt a), of artikel 9, lid 2, punt a), is gebaseerd, dat de betrokkene het recht heeft de toestemming te allen tijde in te trekken, zonder dat dit afbreuk doet aan de rechtmatigheid van de verwerking op basis van de toestemming vóór de intrekking daarvan;

    d)      dat de betrokkene het recht heeft een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;

    e)      of de verstrekking van persoonsgegevens een wettelijke of contractuele verplichting is dan wel een noodzakelijke voorwaarde om een overeenkomst te sluiten, en of de betrokkene verplicht is de persoonsgegevens te verstrekken en wat de mogelijke gevolgen zijn wanneer deze gegevens niet worden verstrekt;

    f)      het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.

    3.      Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke voornemens is de persoonsgegevens verder te verwerken voor een ander doel dan dat waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld, verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene vóór die verdere verwerking informatie over dat andere doel en alle relevante verdere informatie als bedoeld in lid 2.

    4.      De leden 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing indien en voor zover de betrokkene reeds over de informatie beschikt.”

  • 7.

    Artikel 14 AVG („Te verstrekken informatie wanneer de persoonsgegevens niet van de betrokkene zijn verkregen”) luidt:

    „1.      Wanneer persoonsgegevens niet van de betrokkene zijn verkregen, verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene de volgende informatie:

    a)      de identiteit en de contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke en, in voorkomend geval, van de vertegenwoordiger van de verwerkingsverantwoordelijke;

    b)      in voorkomend geval, de contactgegevens van de functionaris voor gegevensbescherming;

    c)      de verwerkingsdoeleinden waarvoor de persoonsgegevens zijn bestemd, en de rechtsgrond voor de verwerking;

    d)      de betrokken categorieën van persoonsgegevens;

    e)      in voorkomend geval, de ontvangers of categorieën van ontvangers van de persoonsgegevens;

    f)      in voorkomend geval, dat de verwerkingsverantwoordelijke het voornemen heeft de persoonsgegevens door te geven aan een ontvanger in een derde land of aan een internationale organisatie; of er al dan niet een adequaatheidsbesluit van de Commissie bestaat; of, in het geval van de in artikel 46, artikel 47 of artikel 49, lid 1, tweede alinea, bedoelde doorgiften, welke de passende of geschikte waarborgen zijn, hoe er een kopie van kan worden verkregen of waar ze kunnen worden geraadpleegd.

    2.      Naast de in lid 1 bedoelde informatie verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene de volgende informatie om ten overstaan van de betrokkene een behoorlijke en transparante verwerking te waarborgen:

    a)      de periode gedurende welke de persoonsgegevens zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;

    b)      de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, indien de verwerking op artikel 6, lid 1, punt f), is gebaseerd;

    c)      dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken om inzage van en rectificatie of wissing van persoonsgegevens of om beperking van de hem betreffende verwerking, alsmede het recht tegen verwerking van bezwaar te maken en het recht op gegevensoverdraagbaarheid;

    d)      wanneer verwerking op artikel 6, lid 1, punt a) of artikel 9, lid 2, punt a), is gebaseerd, dat de betrokkene het recht heeft de toestemming te allen tijde in te trekken, zonder dat dit afbreuk doet aan de rechtmatigheid van de verwerking op basis van de toestemming vóór de intrekking daarvan;

    e)      dat de betrokkene het recht heeft een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;

    f)      de bron waar de persoonsgegevens vandaan komen, en in voorkomend geval, of zij afkomstig zijn van openbare bronnen;

    g)      het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.

    3.      De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie:

    a)      binnen een redelijke termijn, maar uiterlijk binnen één maand na de verkrijging van de persoonsgegevens, afhankelijk van de concrete omstandigheden waarin de persoonsgegevens worden verwerkt;

    b)      indien de persoonsgegevens zullen worden gebruikt voor communicatie met de betrokkene, uiterlijk op het moment van het eerste contact met de betrokkene; of

    c)      indien verstrekking van de gegevens aan een andere ontvanger wordt overwogen, uiterlijk op het tijdstip waarop de persoonsgegevens voor het eerst worden verstrekt.

    4.      Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke voornemens is de persoonsgegevens verder te verwerken voor een ander doel dan dat waarvoor de persoonsgegevens zijn verkregen, verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene vóór die verdere verwerking informatie over dat andere doel en alle relevante verdere informatie als bedoeld in lid 2.

    5.      De leden 1 tot en met 4 zijn niet van toepassing indien en voor zover:

    a)      de betrokkene reeds over de informatie beschikt;

    b)      het verstrekken van die informatie onmogelijk blijkt of onevenredig veel inspanning zou vergen, in het bijzonder bij verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden, behoudens de in artikel 89, lid 1, bedoelde voorwaarden en waarborgen, of voor zover de in lid 1 van dit artikel bedoelde verplichting de verwezenlijking van de doeleinden van die verwerking onmogelijk dreigt te maken of ernstig in het gedrang dreigt te brengen. In dergelijke gevallen neemt de verwerkingsverantwoordelijke passende maatregelen om de rechten, de vrijheden en de gerechtvaardigde belangen van de betrokkene te beschermen, waaronder het openbaar maken van de informatie;

    c)      het verkrijgen of verstrekken van de gegevens uitdrukkelijk is voorgeschreven bij Unie- of lidstatelijk recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is en dat recht voorziet in passende maatregelen om de gerechtvaardigde belangen van de betrokkene te beschermen; of

    d)      de persoonsgegevens vertrouwelijk moeten blijven uit hoofde van een beroepsgeheim in het kader van Unierecht of lidstatelijk recht, waaronder een wettelijke geheimhoudingsplicht.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

  • 8.

    SL exploiteert openbaarvervoersdiensten in Stockholm (Zweden). Deze onderneming heeft haar controleurs uitgerust met bodycams, die worden gebruikt om passagiers te filmen die tijdens de betreffende controles niet in het bezit zijn van een geldig vervoersbewijs en aan wie vervolgens een boete wordt opgelegd. Het gebruik van bodycams is bedoeld om bedreigingen en geweld tegen controleurs te voorkomen en te documenteren alsook om de identiteit van passagiers te verifiëren die een boete moeten betalen.

  • 9.

    In het kader van haar toezichthoudende activiteiten heeft de Autoriteit onderzocht of SL bij de verwerking van persoonsgegeven met behulp van bodycams handelde in overeenstemming met de regels van de AVG. In juni 2021 heeft zij een besluit vastgesteld waaruit blijkt dat de controleurs de bodycams tijdens hun dienst dragen en dat zij doorlopend beeld en geluid vastleggen.

  • 10.

    De bodycams beschikken over een zogenaamd circulair geheugen, wat betekent dat na een bepaalde tijd al het videomateriaal automatisch wordt verwijderd. Hierdoor wordt het opgenomen materiaal gewist. Aanvankelijk werd het opgenomen materiaal gedurende twee minuten opgeslagen, maar tijdens de controleperiode van de toezichthouder werd deze opnametijd verkort naar één minuut. Door op een knop te drukken kunnen de controleurs echter de automatische verwijdering onderbreken waardoor de opname niet wordt gewist. In dat geval blijft ook de in de camera opgeslagen informatie door de techniek van vooropname bewaard, dus ook de minuut voordat de inspecteur op de knop drukt. Controleurs hebben de opdracht gekregen om de automatische verwijdering te onderbreken in alle situaties waarin een boete wordt uitgeschreven en ook in geval van bedreiging.

  • 11.

    Naast deze bevindingen met betrekking tot het gebruik en de werking van de bodycams, heeft de Autoriteit in haar besluit vastgesteld dat SL vanaf december 2018 tot de datum van dat besluit in juni 2021, door in het kader van de vervoersbewijscontroles gebruik te maken van bodycams, persoonsgegevens had verwerkt op een wijze die in strijd is met verschillende bepalingen van de AVG. Volgens haar had SL nagelaten om voldoende informatie aan de betrokkenen te verstrekken, wat een inbreuk is op artikel 13 AVG. Als gevolg daarvan heeft de Autoriteit SL een administratieve boete opgelegd van in totaal 16 miljoen Zweedse kronen (SEK) (ongeveer 1 422 670 EUR), waarvan 4 miljoen SEK (ongeveer 355 118 EUR) in verband met het verstrekken van onvoldoende informatie aan de betrokkenen.

  • 12.

    SL heeft tegen het besluit van de Autoriteit beroep ingesteld bij de Förvaltningsrätt i Stockholm (bestuursrechter in eerste aanleg Stockholm, Zweden), die het beroep heeft verworpen voor zover het betrekking had op de aan SL opgelegde boete wegens het verstrekken van onvoldoende informatie aan de betrokkenen.

  • 13.

    Vervolgens heeft SL hoger beroep ingesteld bij de Kammarrätt i Stockholm (bestuursrechter in tweede aanleg Stockholm, Zweden), die de uitspraak in eerste aanleg heeft vernietigd en het besluit van de Autoriteit nietig heeft verklaard voor zover daarin een boete werd opgelegd. Deze rechter heeft onder verwijzing naar het arrest van 11 december 2014, Ryneš (C‑212/13, EU:C:2014:2428), geoordeeld dat de Autoriteit geen gronden had om SL een administratieve geldboete op te leggen wegens schending van artikel 13 AVG omdat deze bepaling niet van toepassing was op het bij hem aanhangige geschil.

  • 14.

    De Autoriteit heeft zich gewend tot de verwijzende rechter, de Högsta förvaltningsdomstol (hoogste bestuursrechter, Zweden), met het verzoek om het arrest van de Kammarrätt i Stockholm te vernietigen voor zover het betrekking heeft op de boete die aan SL is opgelegd wegens het niet-verstrekken van voldoende informatie aan de betrokkenen.

  • 15.

    Deze rechter preciseert om te beginnen dat de vraag rijst welke van de artikelen 13 en 14 AVG van toepassing is wanneer persoonsgegevens worden verzameld door middel van een bodycam. Volgens haar is het antwoord op deze vraag in twee opzichten noodzakelijk. Ten eerste moet worden bepaald welke informatie aan de betrokkene moet worden verstrekt, op welk tijdstip de plicht om deze persoon te informeren ontstaat en welke uitzonderingen er zijn op die plicht. Ten tweede moet worden vastgesteld of de Autoriteit al dan niet een administratieve geldboete mocht opleggen op grond dat SL niet had voldaan aan de informatieplicht van artikel 13 AVG.

  • 16.

    Vervolgens was volgens de verwijzende rechter evenmin duidelijk in hoeverre de verschillen tussen de artikelen 13 en 14 AVG – met betrekking tot de omvang van de daarin neergelegde informatieverplichtingen – in aanmerking moeten worden genomen om te bepalen welk artikel van toepassing is op een bepaald type van verzamelen van persoonsgegevens. In dit verband wijst hij erop dat partijen het oneens zijn over de conclusie die uit deze verschillen moet worden getrokken.

  • 17.

    Ten slotte vraagt de verwijzende rechter zich af welk belang moet worden gehecht aan de richtsnoeren inzake transparantie overeenkomstig verordening 2016/679, die op 29 november 2017 en, in hun herziene versie, op 11 april 2018 zijn vastgesteld door de werkgroep die is ingesteld bij artikel 29 van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995, L 281, blz. 31), waarin in punt 26 wordt vermeld dat artikel 13 AVG van toepassing is op cameratoezicht.

  • 18.

    Tegen deze achtergrond heeft de Högsta förvaltningsdomstol de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende prejudiciële vraag:

    „Is artikel 13 AVG of artikel 14 AVG van toepassing wanneer persoonsgegevens door een bodycam worden verkregen?”

 Verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling

  • 19.

    Nadat de advocaat-generaal op 1 augustus 2025 conclusie had genomen, heeft SL bij op 23 september 2025 ter griffie van het Hof neergelegde akte verzocht om heropening van de mondelinge behandeling krachtens artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

  • 20.

    Ter ondersteuning van dit verzoek voert SL aan dat het Hof onvoldoende is ingelicht over de feiten van de hoofdzaak en over het belang dat een in deze zaak te wijzen beslissing zou hebben voor verwerkingsverantwoordelijken die gebruikmaken van cameratoezicht. Zij is met name van mening dat de conclusie van de advocaat-generaal de respectieve werkingssferen van de artikelen 13 en 14 AVG onjuist afbakent.

  • 21.

    In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat de advocaat-generaal op grond van artikel 252, tweede alinea, VWEU in het openbaar in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies neemt aangaande zaken waarin zulks overeenkomstig het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vereist is. Het Hof is niet gebonden aan deze conclusies of aan de motivering op grond waarvan de advocaat-generaal daartoe komt (arrest van 4 september 2025, Nissan Iberia C‑21/24, EU:C:2025:659, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

  • 22.

    In deze context dient voorts te worden opgemerkt dat het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Reglement voor de procesvoering niet voorzien in de mogelijkheid voor de partijen of de in artikel 23 van dat Statuut bedoelde belanghebbenden om opmerkingen in te dienen in antwoord op de conclusie van de advocaat-generaal. Het feit dat een partij of een dergelijke belanghebbende het oneens is met de conclusie van de advocaat-generaal, kan als zodanig geen grond voor de heropening van de mondelinge behandeling opleveren, ongeacht welke kwesties hij in zijn conclusie heeft onderzocht (arrest van 4 september 2025, Nissan Iberia C‑21/24, EU:C:2025:659, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

  • 23.

    Daaruit volgt dat, voor zover het verzoek van SL om heropening van de mondelinge behandeling tot doel heeft haar in staat te stellen te reageren op het standpunt dat de advocaat-generaal in haar conclusie heeft ingenomen, dit verzoek niet kan worden ingewilligd.

  • 24.

    Het Hof kan echter krachtens artikel 83 van zijn Reglement voor de procesvoering in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de opening of de heropening van de mondelinge behandeling gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit aanbrengt dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof, of wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen of de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.

  • 25.

    In het onderhavige geval is het Hof, de advocaat-generaal gehoord, evenwel van oordeel dat het over alle gegevens beschikt om de door de verwijzende rechter gestelde vragen te beantwoorden en dat deze zaak niet hoeft te worden beslecht op basis van een argument waarover de belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen. Bovendien wordt in het verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling geen melding gemaakt van enig nieuw feit dat van beslissende invloed zou kunnen zijn op de beslissing die het Hof in deze zaak moet geven.

  • 26.

    Bijgevolg is er geen reden om de heropening van de mondelinge behandeling te gelasten.

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

  • 27.

    Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 13 en 14 AVG aldus moeten worden uitgelegd dat, in een situatie waarin persoonsgegevens worden verzameld met behulp van door controleurs in het openbaar vervoer gedragen bodycams, de informatieverstrekking aan de betrokkenen wordt geregeld door artikel 13 of door artikel 14 AVG.

  • 28.

    Bij de beantwoording van deze vraag moet volgens vaste rechtspraak van het Hof niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen van die bepalingen, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaken (arrest van 28 november 2024, Másdi, C‑169/23, EU:C:2024:988, punt 39).

  • 29.

    In de eerste plaats moet ten aanzien van de bewoordingen van de artikelen 13 en 14 AVG worden opgemerkt dat de materiële werkingssfeer van artikel 14 AVG in vergelijking met artikel 13 AVG op een negatieve manier wordt gedefinieerd. Zoals blijkt uit de opschriften zelf van die bepalingen, heeft artikel 13 betrekking op de informatie die moet worden verstrekt wanneer persoonsgegevens bij de betrokkene worden verkregen, terwijl artikel 14 betrekking heeft op de informatie die moet worden verstrekt wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene zijn verkregen (arrest van 28 november 2024, Másdi, C‑169/23, EU:C:2024:988, punt 48).

  • 30.

    Voor het onderscheid tussen de respectieve werkingssferen van deze bepalingen is het feit dat in sommige taalversies van artikel 14 AVG, met name de Zweedse versie, de term „verzameld” („samlas in”) uit artikel 13 AVG niet is overgenomen, niet doorslaggevend.

  • 31.

    Volgens vaste rechtspraak moeten de bepalingen van het recht van de Unie op eenvormige wijze worden uitgelegd en toegepast met inachtneming van de versies in alle talen van de Europese Unie. Indien er verschillen tussen die versies bestaan, moet de betrokken bepaling worden uitgelegd met inachtneming van de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt [arrest van 13 februari 2025, Verbraucherzentrale Berlin (Begrip initiële contractduur), C‑612/23, EU:C:2025:82, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

  • 32.

    In dit verband heeft het Hof reeds verduidelijkt dat, wat betreft het gebruik van de term „verkrijgen” („erhållande”) in artikel 14, lid 5, onder c), AVG, die in de Zweedse versie ook in het opschrift van dit artikel 14 en in lid 1 („erhållits”) ervan wordt gebruikt, deze term inderdaad betrekking heeft op gegevens die zijn „verkregen” van een derde, alsmede op gegevens die de verwerkingsverantwoordelijke zelf heeft gegenereerd in het kader van de uitoefening van zijn taak op basis van dergelijke gegevens (zie in die zin arrest van 28 november 2024, Másdi, C‑169/23, EU:C:2024:988, punt 47).

  • 33.

    Zoals de advocaat-generaal in punt 28 van haar conclusie heeft opgemerkt, vereist de in artikel 13, lid 1, AVG gehanteerde term „verzameld” (persoonsgegevens die bij een betrokkene worden verzameld) geen specifieke handeling van de betrokkene, maar enkel van de verwerkingsverantwoordelijke, zodat de mate van activiteit van de betrokkene irrelevant is om het toepassingsgebied van deze bepaling af te bakenen ten opzichte van dat van artikel 14 AVG.

  • 34.

    Dit staat ook met zoveel woorden in de richtsnoeren inzake transparantie, vermeld in punt 17 van dit arrest, waaruit blijkt dat artikel 13 AVG van toepassing is wanneer een betrokkene bewust persoonsgegevens aan de verwerkingsverantwoordelijke verstrekt of wanneer de gegevens door een verwerkingsverantwoordelijke worden verzameld bij een betrokkene door middel van waarneming, met name door middel van camera’s.

  • 35.

    Gezien de bewoordingen van artikel 14, lid 2, onder f), AVG, gelezen in het licht van overweging 61 van die verordening, moet worden geoordeeld dat alleen de bron van de verzamelde persoonsgegevens het relevante criterium is voor de afbakening van de respectieve toepassingsgebieden van de artikelen 13 en 14 AVG. Volgens artikel 14, lid 2, onder f), moet de verwerkingsverantwoordelijke immers, wanneer de gegevens niet van de betrokkene zijn verkregen, de betrokkene informeren over de bron waar de persoonsgegevens vandaan komen.

  • 36.

    Hieruit volgt dat de letterlijke uitlegging van de artikelen 13 en 14 AVG, gelezen in het licht van overweging 61 van deze verordening, erop wijst dat artikel 13 van toepassing is op het verzamelen van persoonsgegevens met behulp van een bodycam, aangezien in dat geval deze gegevens niet uit een andere bron dan de betrokkene worden verkregen, maar rechtstreeks bij hem worden verzameld.

  • 37.

    In de tweede plaats vindt een dergelijke uitlegging steun in de context van deze bepalingen.

  • 38.

    Dienaangaande volgt uit artikel 5 AVG dat een verwerking van persoonsgegevens met name moet voldoen aan concrete vereisten op het gebied van transparantie ten aanzien van de persoon wiens gegevens worden verwerkt [arrest van 11 juli 2024, Meta Platforms Ireland (Representatieve vordering), C‑757/22, EU:C:2024:598, punt 53].

  • 39.

    Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen in wezen heeft opgemerkt, geeft artikel 13 AVG – door te bepalen dat de betrokkene de daarin bedoelde informatie moet ontvangen op het moment waarop de gegevens worden verkregen – concreet gestalte aan het recht van die persoon op informatie. Artikel 14 AVG is daarentegen bedoeld om tegemoet te komen aan situaties waarin de verwerkingsverantwoordelijke geen rechtstreeks contact heeft met de betrokkene, maar de persoonsgegevens uit een andere bron verkrijgt, waardoor het verstrekken van de in die bepaling bedoelde informatie op het moment van verkrijging van de gegevens in de praktijk moeilijk, zo niet onmogelijk is. Gezien het indirecte karakter van een dergelijke gegevensverzameling is het dan ook gerechtvaardigd dat artikel 14 AVG voorziet in gevallen waarin de verwerkingsverantwoordelijke pas op een later tijdstip aan zijn informatieverplichting hoeft te voldoen.

  • 40.

    In de derde plaats moeten de artikelen 13 en 14 AVG worden uitgelegd in het licht van de doelstelling van deze verordening, die er met name in bestaat een hoog niveau van bescherming van de fundamentele vrijheden en grondrechten van natuurlijke personen te waarborgen, in het bijzonder van hun recht op bescherming van persoonsgegevens, dat is neergelegd in artikel 16 VWEU en als grondrecht wordt gewaarborgd in artikel 8 van het Handvest, dat het door artikel 7 van het Handvest gewaarborgde recht op eerbiediging van het privéleven aanvult (arrest van 27 februari 2025, Dun & Bradstreet Austria e.a., C‑203/22, EU:C:2025:117, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

  • 41.

    Indien echter zou worden aanvaard dat artikel 14 AVG van toepassing is op het verzamelen van persoonsgegevens door middel van een bodycam, zou de betrokkene op het moment dat die gegevens worden verzameld geen informatie ontvangen, ondanks het feit dat hij de bron van die gegevens is, en zou de verwerkingsverantwoordelijke niet onmiddellijk verplicht zijn hem daarover te informeren. Een dergelijke uitlegging houdt dus het risico in dat de betrokkenen de vastlegging van persoonsgegevens niet opmerken en dat er heimelijk toezicht plaatsvindt. Een dergelijk gevolg zou onverenigbaar zijn met het in het vorige punt van dit arrest genoemde doel om een hoog niveau van bescherming van de fundamentele vrijheden en grondrechten van natuurlijke personen te waarborgen.

  • 42.

    Niettemin moet worden opgemerkt dat deze doelstelling er niet aan in de weg staat dat – zoals voorgesteld in de richtsnoeren 3/2019 van het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPS) inzake de verwerking van persoonsgegevens door middel van videoapparatuur, vastgesteld op 29 januari 2020 – de informatieverplichtingen op grond van artikel 13 AVG worden uitgevoerd volgens een gelaagde aanpak. Volgens deze richtsnoeren kan de belangrijkste informatie voor de betrokkene (eerste laag) op een waarschuwingsbord worden vermeld, terwijl de overige verplichte informatie (tweede laag) op een gemakkelijk toegankelijke en passende wijze volledig beschikbaar mag worden gesteld.

  • 43.

    Ten slotte moet in antwoord op de door de Kammarrätt i Stockholm geuite twijfel over de reikwijdte van punt 34 van het arrest van 11 december 2014, Ryneš (C‑212/13, EU:C:2014:2428), vermeld in punt 13 van het onderhavige arrest, nog worden gepreciseerd dat het Hof zich in genoemd punt 34 niet heeft uitgesproken over de vraag hoe de werkingssfeer van artikel 11 van richtlijn 95/46, dat overeenkomt met artikel 14 AVG, zich verhoudt ten opzichte van artikel 10 van die richtlijn, dat overeenkomt met artikel 13 AVG, maar enkel heeft verduidelijkt dat, vanwege de verschillende beperkingen en uitzonderingen waarin die richtlijn voorziet, bij de toepassing ervan rekening kan worden gehouden met de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke.

  • 44.

    Bijgevolg kan uit punt 34 van dat arrest niet worden afgeleid dat het Hof zich reeds heeft uitgesproken over het onderscheid tussen de werkingssfeer van artikel 13 AVG enerzijds en die van artikel 14 AVG anderzijds.

  • 45.

    Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat de artikelen 13 en 14 AVG aldus moeten worden uitgelegd dat, in een situatie waarin persoonsgegevens worden verzameld met behulp van door controleurs in het openbaar vervoer gedragen bodycams, de informatieverstrekking aan de betrokkenen wordt geregeld door artikel 13 AVG en niet door artikel 14 AVG.

 Kosten

  • 46.

    Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

    Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

    De artikelen 13 en 14 van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG

    moeten aldus worden uitgelegd dat

    in een situatie waarin persoonsgegevens worden verzameld met behulp van door controleurs in het openbaar vervoer gedragen bodycams, de informatieverstrekking aan de betrokkenen wordt geregeld door artikel 13 en niet door artikel 14 van die verordening.

    ondertekeningen

    *      Procestaal: Zweeds.